De tent

Het aftellen is begonnen: Aanstaande vrijdag begint in het (hopelijk zonovergoten) Biddinghuizen Lowlands. En dus ga ik donderdag, samen met een klein groepje mede-Lowlands-newbies, alvast in de rij staan voor de campings. Dat hoort, zo heb ik me laten influisteren, bij het festivalgevoel.

In huize Kreleger is gisteren het startschot gegeven voor de voorpret. Al een week of twee lag de tent waarin ik drie dagen moet zien te survivalen achterin de auto, geleend van collega Eric – fervent kampeerder. Ik daarentegen kampeerde voor het laatst eind jaren ‘90 en toen ook alleen omdat het budget niet toereikend was voor een luxe hotel in een ver, warm land. En dus moest er gisteren drooggeneukt worden met de tent. Want ik had geen idee hoe dat ding inelkaar moest.

Eric had gezegd dat het niet zo ingewikkeld was. Twee lange stokken, twee korte stokken. Tent uitleggen, stokken erin schuiven en het ding staat nagenoeg vanzelf. In praktijk bleek de tent weerbarstiger tegen mijn goedbedoelde poging om ‘m overeind te krijgen. Maar na een half uur stoeien en met het nodige kunst en vliegwerk was de tent getemd. Steve Irwin zou trots op me zijn geweest.

De tent doet het dus. Of ‘ie waterdicht is heb ik niet getest, ondanks het genereuze aanbod van de bovenbuurman om er een paar emmers water overheen te gooien vanaf zijn balkon. Maar hij líjkt wel waterdicht. Tent opzetten kan dus worden doorgestreept op het Lowlands-todo-lijstje. Blijft over: Slippers kopen voor onder de douche, nootjes en ontbijtkoek kopen, bier kopen, nog meer bier kopen en bedenken welk paar schoenen ik wil opofferen. En of ik misschien toch laarzen moet meenemen.

Het enige waar ik me oprecht zorgen over maak is de koffie-supply in de ochtend. Weet iemand of er batterijen in een Senseo kunnen?

Meenemen of hier opeten?

Hoe de snackbar precies heet weet ik niet. Sterker nog: Ik weet ‘t niet eens een klein beetje. Hij zit op een hoekje, waar de Krommertstraat uitkomt in de Jan Evertsenstraat.

Achter de counter staat een man voor wie ik in de twee keer die ik tot nu toe in zijn etablissement ben geweest mateloos bewondering heb gekregen. Zijn naam ken ik niet en zal ik waarschijnlijk nooit kennen. De man spreekt namelijk niet tot nauwelijks. Je weet dat je aan de beurt bent als ‘ie je aankijkt en met zijn hoofd knikt. Voor het te betalen bedrag wijst hij, ook met zijn ogen, naar het display op de vooroorlogse kassa. Het wisselgeld legt hij in het bakje op de counter. Zeg je ‘m gedag, dan mompelt hij iets onverstaanbaars terug. Onbeleefd, zou je kunnen zeggen. Maar toch vertrek ik altijd met het gevoel dat het goed is. Niet in de laatste plaats omdat ik eten heb gekregen en honger heb, dus dan zit het sowieso wel goed.

Maar mijn bewondering voor deze man komt niet enkel voort uit zijn betekenisvolle blikken. De man heeft namelijk, naast zijn aanleg (en duidelijke voorkeur) voor lichaamstaal, nóg een talent. Hij schrijft niet. Een winkel vol klanten die allemaal iets van ‘m moeten, maar hij schrijft geen letter op. En al staat er een rij tot aan de straat, hij onthoudt álles en weet precies wie wat heeft besteld.

En da’s dus best knap. Vind ik.

Dichte deus

Drie dagen duurt het nu. Wakker worden met het gevoel dat je net bent overreden door een vrachtwagen. Dat gevoel alsof je bent geschept door een bus. Of net seks hebt gehad met Frits Bom (gezellig he!) of iemand anders van vergelijkbaar desastreuze omvang.

Ja. Natuurlijk overdrijf ik. Want ik ben nooit overreden door een vrachtwagen of geschept door een bus. Maar het vóelt wel zo! Ik heb de griep. De rochelende, vies warme, hoofdkloppende griep. En bij mannen is dat altijd véul erger dan, euhm.., dan bij anderen.

Maar er gloort hoop aan de horizon! Want ik heb sapjes en ander gezond spul ingeslagen bij de Appie, vandaag. Vandaag zijnde de eerste dag dat ik überhaupt verder ben gekomen dan de waterkoker voor een nieuw bakje Earl Grey. Heet. Met veel suiker. Doet wonderen voor de slijmproducerende luchtwegen. En ik ga er gemakshalve even vanuit dat die grote, groene klodders slijm die ik zo af en toe in de wasbak lanceer hun oorsprong vinden in m’n luchtwegen. Want daar doet het pijn als ik hoest. En flink ook.

Wat? Ja! Natuurlijk rook ik gewoon door. Als ik daar nog eens mee stop ook dan is de aanslag op mijn lichaam compleet. Ik hoorde laatst dat stoppen met roken een grotere impact op je lichaam heeft dan, euhm, seks met Frits Bom bijvoorbeeld. En dat kunnen we er dus niet bij hebben. Al is het eigenlijk best heel smerig, roken terwijl je amper kunt ademen. Dus ik rook iets minder, nu. Íets.

Als u mij nu wilt excuseren: Er ligt een rol pleepapier op de bank die er gewoon om vráágt volgesnoten te worden.

Slap verhaal

Ik deed nooit aan statistiekjes bijhouden op m’n website. Ooit wel, jaren geleden, maar je krijgt er toch een soort van prestatiedrang van. Na een paar dagen geen stukje te hebben getikt zakte het aantal bezoekers steevast terug tot enkel mijn moeder (hai, mam!). Dus besloot ik ooit om die (toch al zo irritante) Nedstat teller te verwijderen en niets meer te geven om bezoekersaantallen. Omdat ik schrijf om het schrijven, of niet schrijf om het niet schrijven. Maar net waar ik zin in heb.

Vorige week las ik een artikel over Google. Over het feit dat de Europese Unie zich zo druk maakt omdat Google teveel privé-gegevens zou bewaren. Er stond in dat artikel een link naar Google Analytics. Nooit geweten dat het bestond. Een paar klikken later bleek dat het een soort Über-Nedstat is. En ineens dacht ik: “Kom! Laat ik dat eens proberen.” ‘t Is ten slotte gratis en ik was ineens nieuwsgierig naar u, de surfende bezoeker.  En dus plakte ik een stukje Google Analytics-code in de raderwerken van deze website.

Wat blijkt? U bent een stelletje viespeuken! Ransapen! Pornosurfers! Want in nog geen 3 dagen tijd zijn er veertien(!) unieke bezoekers op dit weblog terechtgekomen die geGoogled hebben op het woord “piemels”.

Statistieken liegen niet

Weesch welkom!

Extreme home makeover

Ik heb u nog helemaal niet verteld over mijn nieuwe slaapkamer. En dat ga ik nu ook niet doen. Komt later. Want er zijn dringender zaken!

De vloer in de slaapkamer is nog niet stofvrij, de kwasten zijn nog niet schoon of het is alweer tijd voor een nieuwe verbouwing: De keuken. En niet vrijwillig. Want de keuken van de bovenburen stroomt over zodra ze kraan opendraaien. Of de wasmachine laten draaien.

Hoe dat nu mijn probleem is geworden. ‘t Is een mooi verhaal. Want, en dat wist ik natuurlijk ook niet, het schijnt dat er zoiets bestaat als een standleiding. Dat is (zie mij oreren) de leiding die het hele gebouw van boven naar beneden doorkruist,  en waar voor zowel de bovenburen als mijn onderburen als mijzelf het water uit de keuken naartoe gaat. Om vervolgens in het riool te verdwijnen. Da’s althans de bedoeling.

Zo niet bij ons. Want ergens, in die standleiding, zit iets dicht. Iets hards. Zo hard, dat de loodgieter twee dingen waarmee hij normaal rotzooi uit leidingen verwijdert heeft stukgemaakt. En dat iets voorkomt dat de bovenburen de kraan open kunnen zetten. “Laat ze die kraan dan dichthouden” is een prima argument natuurlijk, maar daar denken de bovenburen vast anders over. Ik heb nergens last van, want ‘het iets’ zit boven mijn afvoer. Maar wel ter hoogte van mijn huis.

De enige remedie is het vervangen van dat stukje leiding. En dus moet mijn keuken gesloopt. En da’s niet zo’n probleem, ware het niet dat ik geen flauw benul heb hoe ik het ding weer inelkaar krijg.

Help?

Knip

Het is binnenkort weer tijd voor een knipbeurt. M’n haar wordt te lang, er zit amper model meer in en mijn coupe is bijna dagelijks aan (overigens héle flauwe) grappen van mijn collega’s onderhevig. Tijd voor de schaar dus.

Je moet er van houden, van de kapper. Hele volksstammen, voornamelijk van het vrouwelijk geslacht, trekken er een ‘lekker middagje’ voor uit om zich te laten verwennen door hun kapper. Niet ik. Ik hou er niet zo van om naar de kapper te gaan. De voornaamste reden: Het oeverloze gelul over niets. Roos, de kapster waardoor ik me de afgelopen twee jaar heb laten knippen, onderwierp me standaard aan een kruisverhoor over het dichtstbijzijnde weekend. Waardoor de vragen zich al op voorhand lieten raden: “En, nog plannen voor het weekend?”, of “heb je een lekker weekend gehad?”… ik ga volgens mij liever naar de tandarts.

Maar zoals ieder mens met haar ontkom je er niet aan. En dus heb ik gisteren een afspraak gemaakt. Vriendin, collega en kapper-fetisjist E. had nog wel een goed idee: Ik moest maar eens haar kapper proberen. Zij bezoekt ‘m (laat ik eens chargeren) iedere twee weken en is er lyrisch over. Bovendien is hij, en ik citeer, “zo druk bezig met je haar dat hij weinig praat”. En dus zit ik volgende week donderdag bij J’s kapper.

Maurice Pierot. Zo heet ‘ie. En het eerste resultaat op Google leert mij dat “haarstylist Maurice Pierot een veelgevraagde ‘hairdresser’ is die menig BN’er voorziet van een trendy haardos”. Ik ben benieuwd hoe hij het doet met DJ’s van lokale radiostations.

Beng

Mijn toiletbril doet vervelend. Iedere keer, zo ongeveer een minuut of vijf nadat ik geplast heb, valt ‘ie met een rotgang naar beneden op de toiletrand.

BENG!

Doet ‘ie al een week, maar ik begin me er nu echt aan te ergeren. Schrik me kapot iedere keer. Daarnet weer. Ik kom thuis, ga plassen, was m’n handen en loop naar de kamer. Even lekker chillen op de bank.

BENG!

Dat moet toch niet te lang meer duren. En bovendien: Stel je voor dat ‘t ding besluit om z’n freefall uit te voeren terwijl ik nog aan het plassen ben. Over spetterpret gesproken. Nee, er komt gewoon een nieuwe. Nog even nadenken over de kleur.

Mama knows best

M’n moeder belde vanmiddag. Ik had bijna de telefoon niet gehoord, omdat de muziek op standje tien stond en ik op m’n knieën in de plee probeerde dat ene smerige hoekje schoon te maken. Vraag me niet waarom.

Het gesprek dat ik met ‘r had doet voor dit stukje eigenlijk niet zo ter zake, behalve dan het gedeelte waaruit bleek dat mijn moeder tegenwoordig dit webloggebeuren leest. Waarom ik nog geen nieuw, zoals zij dat zo mooi noemt, ‘tekstje’ had geplaatst. Blijkbaar schept het hebben van een webloggebeuren een bepaalde verantwoordlijkheid, niet in de laatste plaats naar mijn moeder.

Mijn moeder en ik gaan ver terug. Net zover als ieder ander kind met zijn of haar moeder. Je zou dus denken dat een moeder haar eigen kind redelijk kent. Niets is bleek minder waar. Want toen ik vorige week bij haar op bezoek was drukte ze me een doosje in m’n handen. “Dynamite”, brulde het doosje. Had ze gekocht bij de V&D, “eigenlijk voor Kerst maar toen was je er niet”. Met enige argwaan opende ik het doosje en toverde er een flesje uit. “Explosive fragrance for men”, stond er op.

Ik vreeste het ergste (niets komt tenslotte in de buurt van Le Male) maar besloot toch maar een tufje op m’n pols te spuiten. Niet veel later had ik spijt als haren op mijn hoofd: Wát een verschrikkelijke stinklucht. En eerlijk als ik altijd tegen m’n moeder ben gaf ik te kennen dat ik, hoewel ik het gebaar zeer waardeerde, ik ‘t waarschijnlijk onderweg naar huis in de berm zou mikken. “Ach ja, ik heb het gekocht omdat ik het flesje zo leuk vond”, zei ze, “maar als je ‘t echt niets vindt dan hang je ‘m toch gewoon op het toilet?”

En omdat moeders wil nog altijd wet is, heb ik haar wijze raad maar opgevolgd. Mam: voor jou.

Zeven piemels

In Leeuwarden is nauwelijks iets te beleven. Al is het boeiender dan Rijswijk, zit ik me net te bedenken. Maar daar gaat ‘t nu even niet om. Laten we opereren onder de aanname dat er in Leeuwarden niets te beleven is, da’s beter voor het verhaaltje.

Ik woonde daar ooit. In Leeuwarden. Geboren en getogen, of born ‘n raised, in goed Duits. En hoewel ik Ljouwert op m’n 16e 17e (sorry mam) verruilde voor de Haagsche regio, bleef mijn broertje Bas daar gewoon vrolijk wonen. En nu doet hij dingen.

Bas studeert namelijk iets hips met multimedia gedoe aan de Noordelijke Hogeschool. En hij vond ook dat er in Leeuwarden geen bal te doen was, dus nam hij het heft in eigen handen. Leeuwart was geboren. En nu staat ‘ie in de krant.

Ik ben trots als een aap met zeven piemels. Maar ik zou het toch fijn vinden als het journaille onze achternaam een keer goed weet te schrijven. Dus mocht u meelezen: kaa, er, ee, el, ee, gee, ee, er.

Rukwind en duiven

Hai. Bern hier, vanachter zijn bureau. Hij wil graag naar huis, maar het gaat niet. Rukwinden, enzo. Echt mannenweer (kletsnat met hevige rukwinden), maar daar koop je niets voor als je graag naar huis wilt. De A4 ligt vol rommel, zo zegt de nauwelijks bereikbare site van de ANWB. Herinner mij eraan dat ik ze een mailtje stuur zodra dit voorbij is waarin ik eis dat leden snel toegang zouden moeten hebben tot verkeersinformatie.

Maar goed. Ik zit dus hier een beetje te werken. Je moet toch iets. En dus is het tijd voor een verhaaltje over een duif. Want de duif, dat is me er eentje. Of eigenlijk geen eendje, maar goed. Het begon allemaal met een meneer Kraay…

Lees verder »